een vergrootglas als icoon voor de zoekknop

column

foto: Anne Vogel Photography

11 juli 2020 | kinderen - wijkkrant

Goedbedoelde pedagogiek

Door Ferdinand ter Haar

Vorige week zat er een kaartje bij de post. Van onze jongste, bijna twintig.

‘Heeeey harde werkers,
Even een kaartje voor jullie omdat ik trots op jullie ben en jullie mis!
Jullie werken hard en dat vind ik knap.
Verder zijn jullie sukkels.
Ik hou van jullieeeee!
Dikke kus!

Met natte ogen hebben we het kaartje twaalf keer gelezen en pontificaal op de grote tafel in de keuken gezet. Arie heeft er twintig foto’s van gemaakt en allemaal op Facebook gezet. Opdat heel de wereld gewezen werd op zulks moois.

“Wat is ze toch goed gelukt, hè?”, verzuchtten we naar elkaar. Daarna keken we urenlang, hand in hand, naar de ondergaande zon in Arnhem-Noord.
We hebben drie goed gelukte meiden – alle drie op een geheel eigen manier. Alles wat zij doen, vervult ons met grote trots. Elke ontwikkeling vinden wij een boeiend proces, elke groei begroeten wij met groot gejuich.

Eigenlijk is ‘goed gelukt’ een nogal hooghartige constatering; een vaststelling ter meerdere glorie van onszelf. Genoegzaam trekken wij van tijd tot de conclusie, kijkend naar ons spruit, dat wij als opvoeders prima werk hebben afgeleverd. Applaus voor ons. Onze kinderen groeien en bloeien met volle teugen, omdat wij niet verzaakt hebben.

Nou mensen, in ons geval zijn de meiden vooral goed gelukt ondanks ons. Betere voorbeelden hoe het dus niet moet, zijn bij ons alom aanwezig. We staan in taalgebruik en in gedrag weinig model.

Toegegeven, toen ik zo’n kleine drieëntwintig jaar voor het eerst vader werd, had ik grootse plannen en voorzag ik een waar pedagogisch walhalla bij ons thuis. Ik was een toonbeeld van geduld, zou nimmer mijn stem verheffen en was voorbeeldig in taal en gebaar. Ik zou de kinderen nooit, maar dan ook nooit voor de dvd zetten.

Het live concert van Queen in Wembly (1986) was hun lievelingsfilm – ‘We will rock you’ hun aller wiegenlied.

En als mij dertig keer gevraagd of dat een schaap was, daar in die vermaledijde kinderboerderij – die dagelijks bezocht moest worden – kon ik enkel antwoorden.

“Jahaa, da’s een schaap! Zo, we moesten maar weer eens naar huis gaan!”

Arie en ik lezen zo’n kaart omdat we heel goed beseffen dat we maar wat deden. Hadden wij een boek geschreven over opvoedkunde, dan had het de titel gedragen:

“Wij deden maar wat.”

Onze kinderen groeien en bloeien ondanks ons. Ik raak daar steeds meer van overtuigd. Ze hebben niet veel meer nodig dan ruimte en onvoorwaardelijke liefde. En Queen misschien. Onze kinderen zien bij het ouder worden steeds beter wie wij zijn als hun opvoeder. En houden nog steeds van ons.

Verder zijn we sukkels.