een vergrootglas als icoon voor de zoekknop

column

foto van bureau Beeld

1 maart 2020 | wijkkrant

De liefde van de wijsheid

Door Amy van Son

Al jaar en dag ben ik geïnteresseerd in de Griekse en Romeinse mythes en filosofie. Met name in de zienswijze van Seneca, een Romeinse filosoof die tweeduizend jaar geleden leefde. Hij was een meester in het duiden van de enorme complexiteit van wat mensen drijft.

In de filosofie zijn vele woorden voor liefde en vriendschap te vinden, net zoals Eskimo’s tientallen woorden hebben voor sneeuw. Zo vaar ik wel bij ‘pragma’, zoals de Grieken dat noemden. Waarbij je in staat bent om compromissen te sluiten, gekenmerkt door geduld en tolerantie. Gebaseerd op zelfkennis en kennis van de ander. Om samen praktisch beter te worden: de liefde van de wijsheid. Ik voer er wel bij. Tot afgelopen winter.

In de schemering van een ijskoude avond, zag ik op de Hommelseweg een oudere dame lopen met zware tassen. Ze liep moeilijk, alsof ze pijn had. Ik kon niet anders dan aanbieden de tassen over te nemen en met haar op te lopen. We keuvelden wat onderweg en ze vertelde over haar operatie. Ze betitelde me als ‘een engel op aarde’ voor het dragen van de tassen. Ook vertelde ze dat ze twee zonen had. Toen we even later haar voordeur bereikten, bleek dat een van de zonen thuis was. Ik verbaasde me daarover: waarom had zij hem de tassen niet laten dragen? In de verre verte begonnen alarmbellen te rinkelen, maar ik sloeg er geen acht op. Ze bood me een kop thee aan, die ik afsloeg. Ik had met haar te doen en beloofde dat die kop thee nog wel eens zou komen.

Een paar weken later stond een van haar zonen aan mijn deur. Of ik de vrouw was die zijn moeder geholpen had? Zij wilde langs komen voor een kop thee. Ik zocht daar niets achter. Tot mijn verbazing kwam hij met haar mee en begon hij mij op alle denkbare niveaus uit te horen. “Vrouw alleen?” Ja, vrouw alleen. “Kinderen?” Nee, geen kinderen. “Gelovig?” Nee, geen geloof. “Eigen huis?” Ja, eigen huis. “Geen man?” Nee, geen man. De moeder knikte instemmend.

Nu hecht ik aan het vertellen van de waarheid, maar dit werd te persoonlijk en ongemakkelijk. Na drie kwartier probeerde ik tot een afronding te komen. Toen we afscheid namen aan de voordeur brak de zon door. Dat werd gezien als een teken van boven. Het was mij inmiddels overduidelijk, we lagen op ramkoers, een culturele ramkoers. Ik begon me nu sterk zorgen te maken over waar deze hulpvaardigheid nog meer toe zou leiden. De maanden erna ontving ik meerdere malen berichten en bezoeken aan de deur van de zonen. Over hun moeder die me wilde zien. Ik bedankte telkens vriendelijk toch dringend. Zoveel ongemakkelijkheid was me het goedbedoelde ‘naoberschap’ niet waard.

Hun moeder zou huilen, dat begreep ik toch wel. Ineens bevond ik me in een situatie waarin ik verantwoordelijk werd gehouden voor de geestelijke gesteldheid van de vrouw en daarmee ook van haar zonen. Aan de deur probeerde ik duidelijk te maken dat ik alleen maar een helpende hand had geboden met de boodschappen en dat dit toch echt niet de bedoeling was.

De door mij gekozen pragmatische houding bleek hier niet toereikend. Ik ging te rade bij Seneca die vriendelijkheid voorop stelt, maar daaraan toevoegt: wees alsnog bedacht op wie je toelaat. “Het kiezen van een vriend moet in veel opzichten vergelijkbaar zijn met de manier waarop je je deur opendoet. Als je een klop hoort, open je niet voor iedereen. Voor sommigen laat je de deur gesloten. Voor anderen kun je de deur openen, maar bewaak je deur hoe dan ook.”