een vergrootglas als icoon voor de zoekknop

wijk in zicht

foto van bureau Beeld

7 september 2020 | geschiedenis - wijkkrant

Geboren en getogen in het Sonsbeekkwartier

Door Elsebeth Hoeven

Een heel leven wonen ze al in het Sonsbeekkwartier: de zussen Henny en Cuni Matzer. Behalve in het laatste oorlogsjaar toen alle Arnhemmers negen maanden lang noodgedwongen de stad moesten verlaten. Tijdens de oorlog woonde het gezin Matzer met drie dochters op de Sint Antonielaan. In 1946 verhuisde de familie naar de Pontanuslaan. En daar wonen de jongste dochters Henny en Cuni nog steeds. Dat mag nog wel even zo blijven, stellen ze opgewekt. “We hebben het nog steeds naar onze zin”,  aldus Henny Matzer.  

Van de oorlog herinneren de zussen zich weinig. Cuni is net voor de oorlog geboren. Henny was vijf toen de oorlog begon: “Veel ging langs me heen. Als het luchtalarm ging, wist je weer dat er wat aan de hand was.” In september 1944 moesten alle Arnhemmers evacueren. Cuni: “Zonder spullen moesten we op weg en dan ga je.” In april 1945 kwamen ze weer terug in hun huis op de Sint Antonielaan. “Thuis zat er een groot gat in de muur. Je kon zo van de een naar de andere kamer kijken. Er was een granaat doorheen gevlogen”, herinnert Cuni zich nog. ”In de binnenstad stond niets meer overeind. Alles was letterlijk platgebombardeerd.”

Onbezorgde kindertijd

Beklemmende herinneringen uit de oorlog vonden geen vaste grond in hun geheugen want wat volgde was een onbezorgde jeugd op de Pontanuslaan. “Het was een leuke buurt met heel veel kinderen. Met sommigen hebben we nóg contact”, vertelt Cuni opgetogen. Er woonden gezinnen met acht, negen of soms wel veertien kinderen. Autoverkeer was uitzonderlijk. “Het enige verkeer waren de ‘heren’ van de Heidemij, zij fietsten allemaal.”

De straat voor de kinderen

Hun ogen glunderen als Cuni en Henny vertellen over het urenlange speelplezier in al die huizen, tuinen en op straat. De kinderen hadden alle ruimte voor zichzelf. Net zoals tijdens de eerste coronamaanden toen de straat weer voor de kinderen was, waar ze hele dagen buiten speelden. In hun kindertijd speelden de buurtkinderen zelfs monopoly buiten, op een bankje samengeschoold.

Moeder Matzer werkte tot haar trouwen in het centrum bij Van der Hart. “Dat was een soort V&D, maar dan veel kleiner”, licht Cuni toe. Dat werk moest ze opgeven toen ze ging trouwen want een gehuwde vrouw diende thuis te blijven. Wat jammer vond ze dat, ze was een echt gezelschapsmens, maar er zat niets anders op. Vader Matzer werkte bij de gemeente Arnhem, als bouw- en woningtoezichthouder.

De mensen hadden destijds weinig geld en middelen. Op vakantie gaan bestond nog niet. “We gingen hooguit naar de Bedriegetjes, voorop de fiets van vader”, vertelt Henny.

Henny Matzer: “We gingen hooguit naar de Bedriegetjes, voorop de fiets van vader”

Binnen handbereik

In wederopbouwend Arnhem groeiden de zussen op. Henny: “Je stond er versteld van dat je iedere keer weer wat nieuws zag verrijzen. Allemaal nieuwe wijken.” Voor hen was de buurt hun wereld. Alles vonden ze binnen handbereik. De katholieke school aan de Sonsbeeksingel en alle buurtwinkels. Toen Henny apothekersassistente wilde worden, kreeg ze haar opleiding gewoon om de hoek op de Nicolailaan waar de apotheker van het gemeenteziekenhuis woonde, en haar met vijf andere assistentes het vak leerde. “Het was net een dorp”, lacht Cuni.

In de jonge wijk Presikhaaf kwam een apotheek. Hier ging Henny uiteindelijk als apothekersassistente aan de slag en bleef ze tot aan haar pensioen “Dat was heel leuk werk; de pillen maakten we nog allemaal zelf.” Cuni vond in een nieuwe wijk in Velp–Zuid werk als onderwijzeres.

De zussen Cuni en Henny bleven ongetrouwd en op de Pontanuslaan wonen. En bij vader en moeder wonen ging goed. Ze gaven elkaar de ruimte. Zus Mien trouwde en stichtte een gezin. Zij is helaas overleden maar haar kinderen zoeken de zussen nog regelmatig op. Neef Bart woont een stukje verderop in de straat en helpt ze met klusjes.

Muts een must

Cuni Matzer over haar moeder: “Toen ze trouwde, moest ze haar werk opgeven. Er zat niets anders op”

Een katholieke opvoeding betekende dat een schooldag begon met bidden in de kerk. “En dan moest je een mutsje op”, herinnert Cuni zich. “Als je die niet bij je had, moest je dat thuis ophalen.“ De kerkgang was naar de Onze-Lieve-Vrouwekerk op de Van Slichtenhorststraat. Een kerk waar na de gestage ontkerkelijking vanaf de jaren zeventig in 1995 de laatste dienst werd gehouden en die inmiddels is verbouwd tot huurappartementen. Geleidelijk aan werd het allemaal wel wat losser. Wel zijn ze katholiek gebleven. Nu gaan ze – zonder muts – elders naar de kerk, al is dat vanwege corona al een paar maanden niet meer mogelijk.

Uitstapjes

De zussen laten wat foto’s zien, die alleen bij speciale gelegenheden werden gemaakt. Zoals een bezoek van de familie aan de Keukenhof, ergens in de jaren vijftig. “Dat waren de uitjes”, vertelt Henny. “‘Je moet wel een hoed op!’ zei mijn moeder dan”, vult Cuni lachend aan.

In tegenstelling tot hun ouders die niet op reis konden of wilden, trokken de zussen er regelmatig op uit. Toen ze twintigers waren, kochten ze samen hun eerste auto – “een blauwe Opel Kadett”- en gingen ze samen op vakantie. “Hop, naar Wenen”, vertelt Henny.” Dat beviel. Reizen naar Brazilië, New York en door Europa volgden.

Terugkijkend vinden ze dat er toch niet veel veranderd is in de buurt. Ja, er rijden nu veel auto’s en de gezinnen zijn een stuk kleiner. Maar het is nog steeds een gemoedelijke straat met vriendelijke en hulpvaardige buren. Alleen als de zussen met elkaar over de buren praten, tellen de oude familienamen nog. “Dan zeggen we ‘Bij Pieters zijn ze terug van vakantie’”, licht Cuni lachend toe. Al woont er inmiddels al lang een ander gezin, die ze heus wel kennen. Maar met zulke gezellige jeugdjaren staan die oude namen nou eenmaal in hun geheugen gebeiteld.